Wie begon het terrorisme?
Er is bijna niemand in Nederland die er weet van heeft dat het geweld in Palestina door de zionisten is begonnen. Belangrijk? Ja, want het heden kan en mag er niet los van worden gezien. Dat zo weinigen dit weten heeft te maken met het feit dat ons slechts de halve waarheid verteld is. Dit is veel erger dan het op het eerste gezicht lijkt. Egbert Talens schrijft hierover: ‘Een halve waarheid [namelijk] verzwijgt én werft. Er wordt het behalen van winst mee beoogd waardoor het sociale proces ontspoort met vérgaande nadelige gevolgen voor de zwakkere partij’, in dit geval de Palestijnen.[1] Daarnaast willen de meeste mensen ook liever niet aan het verleden herinnerd worden en roept men al gauw: ‘dat is al zo lang geleden!’ Maar daar tegenover mag de holocaust nooit vergeten worden. Dit is ook de opzet van de zionisten die willen dat wij dat beslist wel blijven onthouden, niet uit piëteit, maar om deze gebeurtenis voor hun plannen uit te buiten. Dít nooit meer, zeggen wij dan daarop met het bij ons opzettelijk opgewekte schuldgevoel, maar wij laten het in een andere vorm dan weer gerust toe, omdat de slachtoffers van nu ons als niet sympathiek worden voorgesteld. ‘Door de holocaust steeds als een soort meetlat te gebruiken lijken de misdaden tegen de menselijkheid, die de zionisten tot nog toe tegen de Palestijnen begingen, minder ernstig dan wat de joden zélf hebben meegemaakt’, zo constateert Hajo Meyer, Auschwitz-overlevende, in zijn boek Het einde van het Jodendom.[2] Zo ontstaat het gevoel bij de zionisten en hun supporters van ‘ga maar door, je hoeft je niet schuldig te voelen want je bent lang niet zo erg als de anderen waren’.[3] De Israëliërs zijn, mede ook door hun verleden, egocentrisch geworden, wat zich onder andere uit in onmenselijk gedrag tegenover niet-joden. Het begrip ‘holocaust’, een ernstige misdaad tegen de mensheid, was geen exclusieve joodse ramp, maar trof naast homosexuelen, geestelijk gestoorden, Jehovah’s getuigen en, volgens overlevenden, in nog heviger mate de zigeuners. Voor hen gold nooit enig erbarmen, zij waren en blijven ook in onze geest ‘Ungeheuer’. Gezien de niet afnemende afschuwelijke gebeurtenissen in het Nabije Oosten voor de Palestijnen, die door sommigen niet als (gelijkwaardige) mensen worden beschouwd, wordt hieronder in chronologische volgorde een groot aantal zionistische misdaden min of meer uitvoerig weergegeven. Door dit alsmaar niet te willen zien of te vergoelijken, maken wij ons aan deze misdaden tegen de mensheid mede schuldig. Wij zullen daaraan kunnen zien dat er na de oorlog opnieuw een ernstige misdaad tegen de mensheid begaan is, namelijk een etnische zuivering, die nog niet beëindigd is, en nu tegen Palestijnen is gericht. Het wordt door hen zelf ‘Nakba’ genoemd maar er worden ook de gewelddadige uitdrijvingen van 1949, 1967 en de minder bekende van andere jaren mee bedoeld. Dit totaal aan misdrijven is even meedogenloos uitgevoerd als de misdaden die de nazi’s begingen. Langduriger, en nog meer wetenschappelijk en methodisch voorbereid dan de holocaust, is er voor onze ogen een menselijke catastrofe ontstaan die wij maar niet willen zien en zelfs verdedigen. Het is namelijk niet een gevolg of reactie op gebeurtenissen, maar een vooropgezet plan om systematisch Palestina te ontdoen van zijn inheemse bevolking en de onderwerping van de overblijvende met werkelijk álle middelen die de bedenkers van dat plan effectief achten. Een reeks van feiten komt nu hieronder aan de orde.
Verklaringen uit de periode vóór de Tweede Wereldoorlog.
1. In 1891 publiceerde Asjer Ginsberg, onder het pseudoniem Achad Haam een artikel De waarheid uit Palestina, waarin hij schreef ‘Joodse kolonisten behandelen de Arabieren vijandig en wreed, Zij beschuldigen hen onterecht en slaan hen ongegeneerd zonder voldoende reden, en zijn daar nog trots op ook’.[4]
2. Hajo Meyer vermeldt dat ver vóór de oprichting van Israël joden zich al schuldig maakten aan het ombrengen van ongewapende burgers.[5]
Beide verklaringen zijn reeds aanwijzingen dat het terroristisch geweld in Palestina door de joden is begonnen.
Tussen 1936 en 1939 pleegde de zionistische organisatie Irgoen talrijke terreuraanslagen in Arabische wijken. Simcha Flapan schrijft hierover: ‘Leden van de Irgoen lanceerden terroristische aanslagen op burgers, hetgeen leidde tot een ongekende geweldescalatie. Je zou kunnen stellen dat de Irgoen het patroon van terrorisme vestigde dat 30 jaar later door Al-Fatah werd overgenomen. Zo werd een groentekar, waarin een bom was verstopt, op een Arabische markt in Jeruzalem gezet. Voorts werd er een bus beschoten en werden er bommen gegooid op markten’.[6]
Op 17 maart 1937 werden de eerste granaten door zionisten in Jeruzalem in cafés met Palestijnen tot ontploffing gebracht.
Andere vooroorlogse primeurs, beslist nooit nagevolgd door Palestijnen, waren het vergiftigen van het waterreservoir in de stad Akkra met typhus en de talrijke verkrachtingen.[7]
Het voornaamste doel was, de Palestijnse gemeenschappen die te dicht bij zionistische vestigingen woonden te intimideren.[8]
Yitschak Shamir, de latere premier van Israël, stelde in 1943: ‘Wij beschouwen het terrorisme allereerst als een onderdeel van de politieke strijd die we onder de huidige omstandigheden voeren. Het speelt een belangrijke rol[…] in onze oorlog tegen de bezetter’.[9]
De Britten die het mandaat over Palestina uitoefenden, gaven de Palestijnen geen of onvoldoende bescherming. In tegendeel, Britse officieren, met name Orde Charles Wingate, instrueerde Hagana (= Israëlische leger in oprichting) troepen in het uitvoeren van strafmissies tegen ‘arabische’ dorpen. Toen de bevolking, daardoor in vertwijfeling, tot stakingen en opstand hun toevlucht namen, werd hun gedrag met kreten als illegaal, geweld, onwettig gedrag enzovoort begeleid. Aan die situatie is eigenlijk nooit enige verandering gekomen, zeker niet sinds de Palestijnen leven onder Israëlische bezetting. Alle legale middelen werden en worden hen op alle mogelijke manieren onthouden. Hun opstand van de jaren 1936-39 werd door de Britten gebroken. Volgens het Britse Mandaatsbestuur ten koste van 3000 Palestijnse doden - waarvan er 110 werden opgehangen - 2000 gewonden en 6000 opgesloten in gevangenissen en concentratiekampen. Het meest opvallende hieraan is dat het aantal doden véél hoger is dan het aantal gewonden. Doorgaans liggen die getallen omgekeerd. Volgens de meeste auteurs bedroeg het aantal doden echter 30.000 à 40.000 en het aantal geïnterneerden 20.000. Bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog hadden de Britten het verzet gebroken en het Palestijns leiderschap verbannen. Het was natuurlijk daardoor geen wonder dat Palestijnen, in tegenstelling tot de zionisten (het Joods Legioen), de geallieerden in de tweede wereldoorlog geen troepen konden of wilden leveren. De kortstondige flirt van de verbannen Haj Amin al Husayni, mufti van Jeruzalem en guerillaleider, met Hitler komt hierdoor ook in een ander licht te staan
De zionisten hebben, als echte machiavellisten, om hun doel – een joodse staat – te bereiken, geen enkel middel geschuwd. Antisemitisme hebben zij steeds bewust uitgelokt en daarbij joodse levens opgeofferd. Gedurende de tweede wereldoorlog waren de zionisten tegen het geven van geld om joden te redden. Een van hun leiders, Yitzak Greenbaum zei in een toespraak in Tel Aviv op 18 februari 1943: ‘één koe in Palestina is belangrijker dan alle Europese joden bij elkaar’.[10] Hun interesse lag niet in het redden van joden, integendeel, het verspillen van meer joods bloed zou hun eisen aan de naties, voor het creëren van hun staat, meer kracht bijzetten. Hun motto was: Rak b’Dam – alleen door bloed – zullen we het land verkrijgen.[11] Nadat de Palestijnen door de Britten ‘gepacificeerd’ waren, werden de Britten zelf het mikpunt van zionistisch terrorisme.
Een volgende gebeurtenis, vermeldt door de auteurs Norman Rose, Anita Shapira en Sami Hadawi,[12] versterkt deze waarneming:
In november 1940 ligt s.s.Patria in de haven van Haïfa voor anker, met aan boord uit Europa afkomstige joodse vluchtelingen. Zij mogen van de Britten Palestina nog niet in omdat de immigratielimiet voor 1940 al overschreden is. Zij zullen daarom eerst naar Mauritius worden overgebracht. Op 25 november wordt dit schip door de Hagana (= Israëlische leger in oprichting) in de haven opgeblazen. Van de 1724 opvarenden komen er 267 om. De Britse Mandaatsregering werd de schuld indirect in de schoenen geschoven als zijnde het gevolg van hun immigratiebeleid. De Israëlische premier Moshe Sharet verklaarde hierover later: ‘Soms moeten enkelen opgeofferd worden om velen te redden’. Deze gebeurtenis staat niet op zichzelf Op 24 februari zonk onder onopgehelderde omstandigheden de Struma in de Zwarte Zee, 760 joodse vluchtelingen vonden daarbij de dood.[13]
Op de Britten werd ook op directe wijze terrorisme uitgeoefend:
In de nacht van 5 op 6 november 1944 werd Lord W.E.G.Moyne door leden van de Stern-gang (een joodse terroristische organisatie) in Caïro vermoord. Dit was de eerste moord van de zionisten op een regeringsleider. De daders werden nadat zij gestorven waren in de Hal der Helden in Jeruzalem opgebaard en met militaire eer op Mount Herzl begraven.
Het joodse terrorisme na de oorlog
In 1946/47 nam het joods terrorisme sterk toe.
1. Op 18 juni 1946 hadden de zionisten op het in gijzeling nemen van mensen, om druk uit te oefenen op de mandaatsregering, alweer de primeur.
2. Op 22 juli 1946 werd een vleugel van het King David Hotel in Jeruzalem opgeblazen. Onder de bijna 100 doden waren Britten, Arabieren en joden, allemaal in overheidsdienst. Dit was een Irgoen-actie.
3. Op 13 oktober 1946 werden door de zionisten in Rome in de Britse ambassade de eerste bomkoffers geplaatst.
4. Op 5 december 1946 werden door de zionisten de eerste auto’s in een burgerwijk in Sarafand (bij Jaffa) tot ontploffing gebracht.
5. Op 29 december 1946 werden een Britse majoor en drie andere officieren ontvoerd en gegeseld als vergelding voor de straf van 18 stokslagen door een Militair Hof opgelegd aan een joodse terrorist.
6. Tussen 4 en 6 juni 1947 werden de eerste 20 bombrieven door de zionisten vanuit Italië naar Londen gezonden.
7. Op 30 juli 1947 werden twee Britse sergeanten opgehangen in een boomgaard bij Natanya. Hun afgesneden penissen werden in hun mond gestoken. De lichamen werden van boobytraps voorzien, alsmede een bord met de tekst: ‘Dit is de straf van het Irgoen Hoge Tribunaal’. Het was een represaille wegens de ter dood veroordeling van drie joodse terroristen door het Britse Gezag.
8. Ook bompakketten werden door de zionisten als eersten tegen Britten gebruikt in Londen op 3 september 1947.
9. Vanaf einde 1947 tot mei 1948 werd er vanuit een illegaal door de joden neergezet huis naast de hoofdweg van Jeruzalem naar Ramallah door joodse soldaten op ieder Palestijns voertuig gevuurd. Speciaal bussen en taxi’s moesten het ontgelden waarbij veel vrouwen en kinderen omkwamen.
10. Tenslotte kwam in december 1947 ook de etnische zuivering van steden aan de beurt. De primeur kreeg Haifa dat door de VN als vrijhaven was aangewezen. In de lager gelegen delen van de stad woonden de Palestijnen, destijds
Een joods officier verklaarde in december 1947 tegenover een Britse officier dat hij geen problemen zag in het feit dat er meer arabieren dan joden woonden in de gebieden die aan de joden bij het VN verdeelplan van 1947 waren toegewezen: ‘That will be fixed. A few calculated massacres will soon get rid of them’.[15]
Door de Irgoen werden vrijwel dagelijks aanslagen tegen Britten en Palestijnse burgers gepleegd. De eindverantwoording hiervoor had Menachem Begin, de latere minister-president en Nobelprijswinnaar voor de Vrede (met Egypte). De Irgoen opereerde vaak in overleg met de voorlopige joodse regering en voerde acties uit in samenwerking met de Hagana. Na de onafhankelijkheid ging het - evenals de Stern-gang - een andere terroristische organisatie, op in de Hagana, dat het officiële Israëlische leger werd en in terrorisme, toen en later, er niet voor onder zou doen.
Wat in het voorafgaande vooral opvalt, is dat de zionisten van alle nieuwe soorten van terreurdaden steeds de primeur hadden. Dit begon met de eerste handgranaten op Palestijnse café bezoekers in Jeruzalem in 1937. Op 6 juli 1938 werd dit gevolgd door de hierboven nog niet vermelde aanslag met een tijdbom op een drukke markt in Haifa. Tot 1947 gaan deze nieuwe vormen van aanslagen door. Soortgelijke innovatie in terroristische aanslagen zal men ook in latere jaren weer aantreffen.
Geplande landroof met genocide
Op 1 januari 1948 schreef David Ben-Goerion daarover als militaire doctrine: ‘Het gaat niet om de vraag of een maatregel noodzakelijk is of niet. Het gaat alleen om tijd en plaats. Een huis opblazen is niet genoeg. Wrede en sterke maatregelen zijn nodig. Op het juiste tijdstip, de juiste plaats en met nauwkeurig berekende slachtoffers. Als we de familie kennen [moeten we] ongenadig toeslaan, ook als er vrouwen en kinderen bij betrokken zijn. Anders is de maatregel inefficiënt. Op de plaats van actie is het niet nodig onderscheid te maken tussen schuldigen en onschuldigen’.[16] Deze doctrine wordt nog steeds toegepast.
Naarmate de datum van het aflopen van het Britse Mandaat (15 mei 1948) naderbij kwam begon de Hagana de Arabische wijken van Jeruzalem te veroveren. In april 1948 hadden joodse troepen ook reeds grote delen van door de VN aan ’arabieren’ toegewezen land in bezit genomen. Op 1 april 1948 besloot Ben-Goerion tot hernieuwde, heviger aanvallen op Palestijnse dorpen en steden over te gaan. Het vierde Plan Dalet (D), dat uit 13 operaties bestond, zou zich uitstrekken over de periode van 1 april tot 15 mei 1948, de dag van de beëindiging van het Britse Mandaat. De Irgoen en de Stern-gang werden door de Hagana gevraagd om Deir Yaseen voor hen in te nemen. In de nacht van 9 op 10 april volgde de slachtpartij van ruim 250 meest vrouwen en kinderen in dit Palestijnse dorp. De meeste mannen waren afwezig. De overlevenden dáárvan werden op een vrachtwagen geladen en demonstratief door Jeruzalem gereden. Daarna werden ze doodgeschoten. De bij de eerste afslachting nog niet gedode vrouwen en kinderen werden eveneens op vrachtwagens geladen en vervoerd tot aan de Mandelbaum Poort, waarna ze door de menigte gestenigd werden. Deir Yaseen was slechts één van de 355 andere vergelijkbare gebeurtenissen van 1947-49 zoals bijvoorbeeld Dawayima, waar 30 vrouwen en kinderen vermoord waren. Er werden net genoeg mensen vermoord of mishandeld om er zeker van te zijn dat de rest vanzelf zou vluchten, hetgeen ook geschiedde, ‘just enough were killed or roughly handled, to make sure that all the civilian population took flight…’ zo rapporteerden VN waarnemers.[17] De namen van de mannen die gefusilleerd zouden worden waren allang van tevoren op lijsten geplaatst en aan de troepen meegegeven. Bij het verjagen van de Palestijnen uit hun dorpen beschoot de Israëlische luchtmacht in de meeste gevallen de vluchtelingen. Verantwoordelijk voor de misdaden op de grond was als steeds, Menachem Begin. De constatering door de Consultancy (adviesraad) van Ben-Goerion dat de Palestijnen zo passief bleven bij wat hen overkwam bracht hen aanvankelijk in verwarring. Dit maakte het voor de raad moeilijker om hun misdadige handelingen tegen de menselijkheid te verontschuldigen als zijnde vergeldingsacties. Maar reeds in december 1947 besloot zij tot een strategie van yotsma (initiatief) dat wil zeggen, men wachtte niet tot men een voorwendsel voor actie vond. Het lid van de joodse informatiedienst Palti Sela verwoorde de Palestijnse lethargie als volgt: ‘normalcy is the rule and agitation the exception. If these people were to be expelled, it could not be done as ‘retaliation’ for any aggression on their part’.[18]
Op 14 mei 1948 werd de Staat Israël uitgeroepen. De dag ervoor ontving president Truman (VS) daar een brief over met een verzoek om tot erkenning over te gaan. Per telefoon werd hem de volgende dag de naam Israël medegedeeld. Minister van Buitenlandse zaken Marshall eiste van zijn president om deze staat niet te erkennen. Hij sprak de volgende woorden: ‘Zij verdienen geen staat, zij hebben dat land gestolen. Als U tot erkenning overgaat Mr.President, dan stem ik waarschijnlijk niet op U bij de volgende verkiezingen…’ Hoe er gemanipuleerd werd om die staat tenslotte toch te krijgen kan men uitvoerig lezen bij Egbert Talens.[19]
Vanaf 21 mei 1948 kwamen de Palestijnse stadjes Ramle en Lydda aan de beurt. Volgens geheime afspraken met koning Abdullah lagen deze in Palestijns gebied dat door Jordanië bestuurd zou worden.[20] De Israëliërs trokken zich daar niets van aan. Met grond- en luchtaanvallen gingen zij deze plaatsjes allereerst te lijf. De verdediging bestond slechts uit één lichtbewapende compagnie van het Jordaanse leger. Van 11 juni – 9 juli was er een wapenstilstand. Gedurende die tijd hadden zich in beide steden veel vluchtelingen verzameld. Gelijk na het aflopen van het bestand vielen 4 Israëlische brigades de plaatsen opnieuw aan. De operatie begon met luchtaanvallen. Hierop kwam een algehele vlucht op gang. Alleen vanuit het politiebureau van Lydda werd nog weerstand geboden. In de stad werd nu een verder uitgaansverbod ingesteld en het Israëlische leger begon weerbaar geachte mannen op te pakken en in kerken [sic] en moskeeën op te sluiten. Er bleven echter nog enige sluipschutters over. De order werd nu afgegeven om op iedereen te schieten die gezien werd. De burgers, bang voor een afslachting, renden in paniek hun huizen uit en werden direct door Israëlisch vuur neergeknald. Vervolgens vuurden soldaten of wierpen zij handgranaten via ramen de huizen in om achterblijvers te doden. Daarna werden alle ongewapende gevangenen in de kerken en moskeeën doodgeschoten. Israëlische cijferaars vermelden ongeveer 250 doden. In werkelijkheid moet dat ruim het dubbele geweest zijn. Hierna vertrok op 13 juli een onafzienbare rij mensen te voet vanuit de stadjes. In de gloeiende zon, zonder voedsel of water sleepten de mensen zich voort. Sommigen dronken hun eigen urine op. Een spoor van weggegooide en achtergelaten spullen gaf, nog dagen daarna, de vluchtroute aan. Maar niet alleen spullen, ook lijken markeerden deze lijdensweg.
Na de tweede wapenstilstand, aangevangen op 18 juli 1948 hield het schieten niet op. Het Israëlische leger hoopte daarmee een incident uit te lokken door constant te beweren dat het een beantwoording was op Arabische aanvallen. Een Arabische bataljonscommandant meldde aan een waarnemer van de VN: ‘een Israëlische mitrailleur beschoot niet ons, maar koos burgervoertuigen zoals bussen en vrachtwagens vol mensen als doelwit’. Hij vroeg of de VN dit kon doen stoppen. De waarnemer dacht van niet, hij veronderstelde dat de VN dit incident “illegaal” zouden noemen.[21] Gedurende deze ‘wapenstilstand’ bleven de Israëliërs, met name in Jeruzalem, schieten. Het gebeurde vooral door sluipschutters die geen onderscheid maakten tussen militairen of burgers. Vanaf 22 oktober was er opnieuw een wapenstilstand van kracht. Het Israëlische leger trok echter gewoon verder op en verdreef alle Palestijnse burgers uit de dorpen waar het doortrok. De verdrijving werd nu het kenmerk van Israëlische militaire operaties.
Er kwam namens de VN in 1948 nog een scheidsrechter: graaf Folke Bernadotte. Tijdens de oorlog redde hij 40.000 joden van de vernietiging in Duitse concentratiekampen. Omdat hij een federatieve staat voorstelde van joden en Palestijnen werd hij op 17 september 1948 vermoord door leden van de Stern-gang onder leiding van Yitsjak Shamir. Deze werd later Israëlisch premier. De feitelijke moordenaar Nathan Friedman-Yellin werd in 1950 lid van de Knesseth.
Na het bestand van Rhodos
Toen er uiteindelijk in 1949 op Rhodos een bestand met Jordanië was gesloten, dacht een groot aantal vluchtelingen dat zij naar huis konden terugkeren. Een aantal was op zoek naar familieleden of probeerde hun bezittingen op te halen. Zij werden onmiddellijk en zonder pardon door de Israëliërs doodgeschoten. Hetzelfde lot trof boeren die terugkwamen om hun land om te ploegen. Deze mensen hadden er geen enkel benul van dat zij, om reden dat er ergens een lijn op de kaart getrokken was, niet naar hun akkers mochten. Uiteindelijk gingen de meest radeloze verdrevenen alleen ’s nachts op pad om hun bezittingen op te halen, maar nu wel met een wapen. Wanneer zij nu op een Israëlische patrouille stuitten, schoten zij terug. Aan de andere kant overschreden ook Israëlische militairen regelmatig de demarcatielijn. Hun vleesrantsoenen waren erg karig, dus stalen zij daar schapen en lammeren en doodden, indien dat hen zo van pas kwam, de herders. De Palestijnen die probeerden de demarcatielijn te overschrijden werden door Israël onveranderd ‘infiltranten’ genoemd. Hierop volgden altijd represailles van het Israëlische leger. Hun pelotons overschreden dan ook de lijn en doodden de eerste twee of drie Palestijnen die zij ontmoetten. Als zij niemand ontmoetten gooiden zij een handgranaat door een verlicht raam waar een familie gezeten was. Van december 1949 tot oktober 1950 werd door het Israëlische leger 117 keer de grens met het inmiddels tot Jordanië behorende gebied geschonden. Eveneens werd ook het luchtruim 76 keer geschonden. Het Jordaanse leger heeft nooit de landsgrens of het luchtruim geschonden. Dit staat in de memoires van Sir John Bagot Glubb, de toenmalige opperbevelhebber van het Jordaanse leger. Elke infiltratie door Israël geschiedde door militairen in uniform. Na de ondertekening van het Rhodos bestand werden nog 5648 Palestijnen naar Jordanië verdreven.
Enige van de vele incidenten tussen 1950 en 1967
1. Op 20 maart 1950 staken 6 Israëlische pantserwagens de grens over. VN waarnemers rapporteerden dat zij daar een vrouw, twee kinderen, twee mannen en een aantal dieren doodden.
2. Op 21 mei 1950 vertrok het Palestijnse gezin van Ahmed Abdul Hai, met Israëlische toestemming en een Israëlisch escorte, naar de Westbank. Daar aangekomen werden ze alleen gelaten. Korte tijd later verscheen een Israëlische patrouille die direct het vuur op hen opende. Een vrouw en een kind werden onmiddellijk gedood, een andere vrouw werd levensgevaarlijk gewond.
3. Op 31 mei 1950 vertrokken twee Israëlische vrachtwagens, elk met ca. 50 gevangen Palestijnen naar de grens met Jordanië. De reis duurde ongeveer 16 uren, gedurende welke zij geen voedsel of water kregen. Zij waren geblinddoekt en kregen onderweg geen gelegenheid om uit te stappen. Om 9 uur ’s avonds moesten zij de wagens uit. Hen werd gezegd dat Jordanië voor hen lag en vervolgens schoten zij hun mitrailleurs boven hun hoofden af, zodat zij het op een lopen zetten. Zij zwierven tussen de 36 à 48 uur door de woestijn tot zij gevonden werden door bedoeïen en/of Jordaanse patrouilles. Twintig mannen waren gestorven of vermist. Allen waren aantoonbaar gemarteld geweest. De meeste waren voormalige opgepakte vluchtelingen of gewoon Arabische inwoners van Israël die in hun woningen gearresteerd waren.
4. Op 7 februari 1951, om 3 uur in de ochtend, staken ca 30 Israëlische soldaten vanuit Jeruzalem de grens over en gingen naar het gehucht Sharafat. Zij omsingelden het huis van de sheik, plaatsten er explosieven onder en bliezen het op met de slapende bewoners er nog in. Vervolgens bliezen zij ook het huis ernaast op en schoten op de inmiddels ontwaakte dorpelingen. De sheik, nog een man, drie vrouwen en vijf kinderen werden zo opgeblazen. Daarnaast raakten nog eens drie vrouwen en vijf kinderen gewond. Twee nachten later drong een andere groep Israëlische militairen het gehucht Falama binnen. Zij gooiden een handgranaat een huis binnen en doodden daarbij een man, zijn zoon en dochter. Dit ging zo alsmaar door. De schuld werd steeds aan het Jordaanse leger gegeven, ook door Arabische landen.
6. Op 14 oktober 1953 voerde het Israëlische leger, onder leiding van Ariel Sharon, een raid uit op Qibia dat een garnizoen had van 40 mannen uit de plaatselijke Nationale Garde. Deze werden uit de plaats verdreven en vervolgens werden er explosieven geplaatst tegen de huizen waarin vrouwen, kinderen en bejaarden zich trachtten te verschuilen. Er werden in totaal 42 huizen en een school opgeblazen met de mensen er nog in, 66 personen in totaal. Volgens generaal Bagot Glubb was dit bloedbad al maanden voorbereid.
9. Na de door Israëlische, als arabische boeren vermomde, infiltranten uitgelokte oorlog in 1967 probeerden vluchtelingen weer naar hun woningen op de Westbank terug te keren. Zij staken de Jordaan over via de Damiabrug. Op de westoever werden zij ontvangen door gewapende Israëlische soldaten. Zij werden naar een centraal punt gebracht, een lang gebouw. Daar werden zij gescheiden en geselecteerd. Zij die van de Westbank kwamen mochten naar huis. Bewoners van Oost Jeruzalem en zij die tegen Israël gevochten hadden werden meegenomen en vermoord.[22]
10. Nadat in dezelfde oorlog (juli 1967) ook Gaza was ingenomen, werden er massa executies uitgevoerd op het strand van mensen die eerst uit hun huizen waren gesleurd. Iedere man, waarvan aangenomen werd dat hij zich gewapenderhand verzet had, werd vermoord.[23]
De situatie sinds de oprichting van de PLO
Tegen de roof met dodelijk geweld van Israël werd door de Palestijnen later verzet geboden, zoals ook is toegestaan bij de Vierde Conventie van Genève. Desondanks wordt hen categorisch recht onthouden, waar Israël zijn gang kan blijven gaan. Recht hebben maar het niet krijgen wekt woede en steeds grotere frustraties op. Zo kan het gebeuren dat de Palestijnen wel recht in eigen hand moéten nemen. De Israëlische terreurdaden dienden hen daarbij tot voorbeeld. Sinds de tweede intifada maakten Israëliërs, die steeds zelf het initiatief namen, nog altijd vier maal meer dodelijke slachtoffers dan de Palestijnen. Bij kinderen is dat zelfs één Israëlisch kind tegen negen Palestijnse. Hajo Meyer noteert uit het blad Ha’aretz over joodse terreur: ‘De daders vallen Palestijnse doelen aan, waaronder scholen in Oost-Jeruzalem en op de Westoever (…). De doden worden zorgvuldig gekozen en wat het nog erger maakt, ze kiezen kinderen’.[24]
Acht verzetsbewegingen besloten in 1964 om te gaan samenwerken binnen een overkoepelende organisatie. De PLO werd gesticht. El Fatah was daarbinnen de toonaangevende organisatie. De eerste voorzitter van zowel PLO als Fatah, Ahmed Shukeiry, werd door Israël in 1969 geliquideerd, van zijn opvolger (Arafat) werd de liquidatie in 2004 aangekondigd en hij stierf korte tijd daarna onder verdachte omstandigheden.[25] De leiding van de jongste verzetsbeweging Hamas, opgericht in 1987, onderging datzelfde lot. Behalve dit soort politieke moorden ging ook het geweld van Israël tegen de burgerbevolking gewoon door. Vanaf 1975 voerde Israël regelmatig luchtaanvallen uit op vluchtelingenkampen in Libanon waarbij grote aantallen burgers werden gedood. In 1985 bombardeerde de luchtmacht het hoofdkwartier van de PLO in Tunis. Resultaat: 80 doden. In 1988 werd PLO man Abu Jihad door Israëlische commando’s vermoord met 75(!) kogels. In 1991 werd Arafat’s adjudant Salah Khalaf samen met twee willekeurige burgers, die toevallig in de buurt waren, vermoord. Dit patroon van liquideren zonder rekening te houden met omstanders wordt inmiddels al ‘gewoon’ gevonden. Na de moord op 29 biddende Palestijnen door Baruch Goldstein (25 februari 1994) werd de groep rondom hem niet gestraft en kregen de Palestijnen collectief een uitgaansverbod, Als reactie daarop kwam de eerste zelfmoordaanslag (6 april 1994), naar het voorbeeld van de Tamil tijgers in Sri Lanka. Het graf van de massamoordenaar Goldstein is een nationaal heiligdom geworden dat door het Israëlische leger en politie wordt bewaakt. Die bewaking geldt ook degenen die bij het graf van de moordenaar komen bidden. Waarvoor? Deze vereerders komen met geen ander doel dan om er inspiratie te halen om nieuwe misdaden voor een Eretz Israël uit te voeren.
Inmiddels zijn door Hamas, thans een geregistreerde politieke partij, vele wapenstilstanden afgekondigd die steeds weer door Israël verbroken werden. Zelfmoordaanslagen zijn door hen ook sinds geruime tijd niet meer uitgevoerd. De steeds met veel misbaar omgeven raketaanvallen, die steevast aan Hamas worden toegeschreven, vallen niet onder de verantwoordelijkheid van de Hamasleiding daar zij worden uitgevoerd door talloze verschillende groepjes waaronder zich soms onafhankelijk optredende Hamasstrijders bevinden. Die lanceringen van primitieve projectielen geschieden altijd lukraak en hebben slechts in zeer sporadische gevallen dodelijke slachtoffers gemaakt. Van een geheel andere orde zijn echter de zogenaamde ‘targetted assessinations’. Deze zijn in flagrante strijd met elk fatsoenlijk recht en dus ook met het internatonale recht. Deze worden uitgevoerd via Israëlische raketaanvallen vanaf de grond en door helikopters en gevechtsvliegtuigen vanuit de lucht. Hun raketwerpers zijn precisiewapens die gericht zijn op een ieder, burger of ‘militant’, die maar op de liquidatielijst voorkomt, ontzien nooit toevallige omstanders, in dat geval ‘collateral damage’ genoemd, en worden in een aantal aantoonbare gevallen speciaal gericht op kinderen. Journalisten die dat proberen te rapporteren worden bedreigd en een aantal is ook werkelijk geliquideerd.
Het bovenstaande is slechts een greep uit de talrijke daden van terrorisme, oorspronkelijk begaan door de eerste zionistische kolonisten, later ook voortgezet door de officiële strijdkrachten van het joodse bestuur tot heden. Deze zijn allemaal gebaseerd op geregistreerde ooggetuigenverklaringen. Alle premiers van Israël, van Ben-Goerion tot Olmert hebben terreur tot een basisbeleidspunt gemaakt. Zij waren hier niet toe gedwongen door de Palestijnen, maar zij beschouwden het als hun taak om op die manier Eretz Israël vrij te maken van Palestijnen. Die terreur uit zich niet alleen door moorden, maar evenzeer in het vernietigen van woningen, gebouwen zoals ministeries, een electriciteitscentrale, de installaties en startbaan van een vliegveld, bruggen, alsmede akkers, boomgaarden en nog veel meer. Daarnaast het molesteren van burgers, het martelen van gevangenen waaronder kinderen, het vertragen tot zelfs onmogelijk maken van medische zorg en een opzettelijk ontwrichten van de Palestijnse maatschappij met inbegrip van de economie. Verschillende Amerikaans/joodse schrijvers waaronder Norman Finkelstein en Richard Falk maken er geen punt van om een vergelijking met de holocaust, bij ons nog steeds een taboe, te maken. Zeker is dat er al 60 jaar sprake is van etnische zuiveringen die leidt tot politicide (de doelbewuste vernietiging van het Palestijnse sociale, politieke en economische leven). Er wordt niets aan gedaan, met name door de westerse landen, die nog steeds Israël zijn gang laten gaan. Sommige uitlatingen van Israëlische politici doen het ergste vrezen. Het einde hiervan is daarom nog steeds niet in zicht. Wie zich hierover een goed beeld wil vormen, leze het boek van de Israëlische historicus Ilan Pappe, The Ethnic Cleansing of Palestine. Deze schrijver is wegens serieuze bedreigingen, voor zijn persoonlijke veiligheid onlangs uitgeweken naar Engeland waar een eerlijke rechtsgang beter gegarandeerd is dan in Israël. Uitspraken van vele Israëlische prominenten liegen er niet om wat betreft hun werkelijke bedoelingen. Op religieuze scholen wordt hiervoor al de basis gelegd met leerstellingen als: “De Arabieren zijn ‘Amalek’ (het symbool van vijandigheid en kwaadaardigheid in het jodendom). Rabbi Israël Hess schreef in dit verband: “Wij moeten genocide plegen omdat uit mijn wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de Palestijnen inderdaad ‘Amalek’ zijn”.[26] Een zeer groot deel van het Israëlische volk baseert zich daarbij ook op teksten uit het Oude Testament zoals: 1 Samuel 15:3 dat zegt: ‘Verschoon hem (Amalek) niet, maar dood van de man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de volgelingen’. Of Exodus 17:14, ‘De joden moeten ze tot de laatste zuigeling verdelgen’. In Jozua 8:24-28 doet deze verslag van de verwoesting van de stad Ai en de door God opgedragen moord op alle 12000 inwoners; Jozua 10:28-39 vertelt dat de steden Makkeda, Libna, Lachis, Gezer, Hebron en Debir met de grond gelijk werden gemaakt en dat bij elk geen levende ziel de aanval overleefde. Dezelfde taferelen van genocide alsmede de tactiek van de verschroeide aarde staan in Richteren 9:45, Samuel I, 15:3 en in 27:9 en 11.
Israël en het terrorisme
Op terrorisme hebben moslims zeker geen patent. In het voorafgaande is voldoende aangetoond dat de zionistische terreurdaden in en buiten Palestina zelfs model stonden voor de Palestijnse. Bovendien werden de Israëliërs er niet alleen zelden voor bestraft, nee, ze werden door de westerse wereld meestal gedoogd of er werd begrip voor getoond. Dit moet de Palestijnen ongetwijfeld hebben aangespoord om er ook hun toevlucht toe te nemen. Hun wanhopige kreten om gerechtigheid werden immers nimmer serieus genomen. De VS en zijn bondgenoten die hiervan denken te profiteren beschouwen de staat Israël als een bruggenhoofd in de Arabische wereld om vandaar uit hun macht te vestigen. Een grote oorlog is daar nu zonder twijfel in de maak. Het zogenaamd bedreigde Israël is in werkelijkheid nooit in gevaar geweest, dat hebben de uitkomsten van internationaal archiefonderzoek intussen wel aangetoond. Dit Israël, met zijn op drie na de sterkste krijgsmacht ter wereld, kan en zal op ieder moment toeslaan indien het dat wenst, met de volledige instemming van de VS. In Europa maken wij ons terecht bezorgd om Islamitische aanslagen. Dat gevaar kan echter wel worden verminderd als de aanstichter van veel terrorisme, Israël, met prioriteit wordt aangepakt. Dat is ook goed voor óns lijfsbehoud. De angel van het terrorisme ligt in Israël zelf en dient zo spoedig mogelijk uitgerukt te worden.
IJsselstein, oktober 2007
bestuurslid
Stichting Stop de Bezetting
De gegevens voor deze studie zijn in de kern ontleend aan internationaal archief onderzoek. Hiertoe is van de volgende bronnen gebruik gemaakt:
John Bagot Glubb, A Soldier with the Arabs, Hodder and
Fouzi El-Asmar, Een Arabier uit Israël, Cypres Amstelveen 1985 , ISBN 90 71261 01 8
Hajo G.Meyer, Het einde van het jodendom, Vasallucci Amsterdam 2004, ISBN 90 5000 515 2
Ilan Pappe, The Ethnic Cleansing of
Egbert Talens, Een bijzondere relatie, Het conflict Israël-Palestina nader bekeken 1897-1993, Aspekt Soesterberg 2005, ISBN 90 5911 222 9
[1] E.Talens, Een bijzondere relatie, Het conflict Israël-Palestina nader bekeken 1897-1993, Soesterberg 2005, p.181
[2] Hajo Meyer, Het einde van het jodendom, Amsterdam 2004, p.277
[3] Ibid., p.277
[4] Ib., p.241, en noot 134
[5] Ib., p.249
[6] Ib., p.249/250, Meyer meldt dit in noot 143 (uit S.Flapan, Zionism and the Palestinians,
[7] Ilan Pappe, The Ethnic Cleansing of Palastine, Osford 2006, p.XV
[8] Ib., p.16
[9] H.Meyer, op.cit., p.250, en noot 145, Noam Chomsky, Offene Wunde Nahost, Israel, die Palestiner und die US-Politik, Hamburg-Wien 1999, p.259
[10] E.Talens, op.cit., p120
[11] Ib., p. 120, Talens citeert hier uit een bijdrage van de Amerikaanse Neturei Karta, een ultra orthodox-joodse beweging, in de New York Times van 18-05-1993
[12] Ib., p.121
[13] Ib., pp.121-123
[14] I.Pappe, op.cit., p.p.58/59
[15] J.Bagot Glubb, A soldier with the Arabs,
[16] E.Talens, op.cit., p.225
[17] J.Bagott Glubb, op.cit., p.211
[18] I.Pappe, op.cit., p.p. 51/52
[19] E. Talens, op.cit., p.163
[20] I.Pappe, op.cit., p.p.42/43
[21] J.Bagot Glubb, op.cit., p.177
[22] F.El-Asmar, Een Arabier uit Israël, Amstelveen 1985, p.130
[23] Ib., p.142
[24] Hajo Meyer, op.cit., p.89 en noot 27 uit ‘Blind Evil’, Ha’aretz Magazine 19-09-2002
[25] Stephen Lendman schrijft in de Global Research van 3 januari 2007 dat de lijfarts van Arafat, dr. Ashraf al Kurdi, kort voordat Arafat via Amman naar Parijs werd overgevlogen, verklaard had dat zijn patiënt duidelijk symptomen van vergiftiging vertoonde.
[26] Hajo Meyer, op cit., p.71
